Petjil

Vorige week schreef ik over mijn avonturen op de Haagse Markt, hoe leuk het er was en dat je er zomaar allerlei spannende exotische ingrediënten tegenkomt. Ik kwam thuis met alle benodigdheden voor petjil.  

Petjil is een Javaans-Surinaamse salade van gekookte groente met een pittige pindasaus. Meestal worden er vier verschillende groenten voor gebruikt: witte- of spitskool, kousenband, taugé en dagoeblad. 

Letterlijk vertaald schijnt dagoeblad hondenblad te betekenen, vraag me niet waarom. Ik kende het vooral als kangkung, een groente die ik graag bij de toko bestel, gestoofd met een sjalotje, knoflook, trassie en als het meezit van die grote groene, stinkerige petehbonen.

Dagoeblad, kangkung, kangkoen, waterspinazie, allemaal namen voor dezelfde langwerpige donkergroene blaadjes aan dikke, holle lichtgroene stengels. Als je geen Surinaamse winkel of toko in de buurt hebt, en toch zin hebt in petjil, kun je het in onderstaand recept gewoon weglaten of eventueel vervangen door wilde spinazie. Als je de maaltijd wilt uitbreiden kun je er ook nog blokjes gebakken tofu bij serveren, blokjes komkommer en/of gekookte rijst.

Bij petjil, dat overigens als twee druppels water lijkt op het Indonesische gerecht gado gado, wordt pindasaus geserveerd. Die kun je kant- en klaar kopen; zakjes gemalen pinda’s met kruiden die je alleen maar hoeft aan te lengen met water. Veel Surinaamse mensen gebruiken die zakjes voor hun petjil. Maar ik maak de saus toch liever zelf, van ongezoete, crunchy pindakaas (de Notenbar op de Haagse Markt verkoopt lekkere, met en zonder zout, met knoflook en extra pittig). 

Voor 4 personen:
½ spitskool (of een hele, kleine)
1 bosje kousenband
1 bosje dagoeblad
150 g taugé
4 – 8 eieren
1 portie pindasaus (zie dit recept)
gefruite uitjes (kant- en klaar)

Haal eventueel lelijk buitenste blad van de spitskool en snijd de rest in reepjes. Haal de puntjes van de kousenband en snijd de bonen in stukjes van zo’n 5 centimeter. Verwijder het grootste deel van de dikke stengels van het dagoeblad. De dunnere stengels en een paar centimeter van de dikkere kun je aan het blad laten zitten. Kook de eieren hard op de manier die je gewend bent. Laat ze schrikken. Breng een grote pan water met een snuf zout aan de kook en blancheer hierin een voor een de groenten. De spitskool, het dagoeblad en de taugé hoeven maar heel kort, 20 – 30 seconden. De kousenband iets langer. Leg de groenten op een grote schaal. Pel en halveer de eieren en nestel ze tussen de groenten. Bestrooi met een paar gefruite uitjes. Doe de (warme) pindasaus in een schaaltje en geef dit apart erbij. 

PS de foto van de petjil is van Annemarie Sabelis (die alle foto's maakte voor mijn nieuwe boek I groente dat dit najaar zal verschijnen).