Janneke maakt Haagse pindasaus

Bekijk video

Haagse pindasaus

Voor zo’n 300 ml saus:
2 sjalotten (of 1 kleine ui)
1 teen knoflook
1 – 2 rode chilipepers
1 klein stukje trassi (gefermenteerde garnalenpasta)
1 theelepel gemalen koriander (ketoembar)
1 theelepel gemalen gember (djahé)
1 theelepel gemalen komijn (djinten)
½ theelepel gemalen laos
1 eetlepel arachideolie
½ pot pindakaas met stukjes noot
200 ml kokosmelk
1 stengel citroengras (sereh)
ketjap manis
vloeibare tamarinde
citroensap
Javaanse suiker (gula djawa) of bruine basterdsuiker

Pel de sjalotten en knoflook en hak ze grof. Snijd de steeltjes van de pepers, verwijder desgewenst de zaadjes, en snijd de pepers in kleine stukjes. Doe de sjalot, knoflook, chilipeper, trassi, koriander, gember, komijn en laos in de mengkom van de keukenmachine en pureer tot een fijne pasta. Of maak de boemboe op de authentieke manier en wrijf de ingrediënten in een vijzel fijn. Verhit de olie in een sauspan en fruit de boemboe enkele minuten. Voeg de pindakaas toe en roer deze los terwijl je hem even meefruit. Schenk de kokosmelk in de pan en roer tot er een saus ontstaat. Verwijder de buitenste, harde schil van de serehstengel en kneus hem door er met het lemmet van een groot mes op te slaan. Leg er een knoopje in of snijd hem doormidden en leg de sereh in de pindasaus. Leg een deksel op de pan, draai het vuur laag en laat de pindasaus een kwartiertje pruttelen. Dit mag vooral niet te hard gaan, anders gaat de saus schiften. Leg zo nodig een vlamverdeler onder de pan. Maak de saus op smaak met ketjap, tamarinde, citroensap en suiker. Er moet een mooie balans ontstaan tussen zout en zuur. Als de saus nu nog te dik is, kun je hem verdunnen met een beetje lauw water.